TOUWTREKKEN IN DE PRAKTIJK
 
Korte richtlijnen voor het deelnemen aan wedstrijden van beginnende touwtrekploegen.
-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-
 
1.      AANLEIDING OM TE TOUWTREKKEN.
De meeste mensen die beginnen te touwtrekken komen er mee in aanraking doordat ze: of gevraagd worden door een bestaande ploeg, of meegedaan hebben aan een wedstrijd in recreatief verband. Meestal is dit een soort buurtwedstrijd en word je enthousiast omdat het je wel gezellig en sportief lijkt.
Touwtrekken is óók sportief, maar het is een krachtsport. De aard van de sport eist dat men getraind en gezond is. Bij het touwtrekken gebruik je bijna alle spieren van je lichaam: ook de spieren die je anders bijna nooit gebruikt. Daarbij komt nog dat van je lichaam een grote statische belasting wordt gevraagd.
Samengevat: Wees gezond, getraind en sportief.
 
2.      TEAMVORMING.
Zorg voor het nodige aantal spelers 6 stuks plus 2 reserves.
Ook mag een ploeg bestaan uit 4 dames en drie heren plus 2 reserves.
Een jeugdploeg mag trekken met 7 personen waarvan maximaal 3 volwassen trekkers plus 2 reserves.
Mentaliteit en onderlinge verhouding zijn zeer belangrijk voor een goede sfeer. Zorg voor een goede leiding van het team of club en verdeel de taken van de leiding.
 
3.      KLEDING.
Touwtrekken wordt gedaan in spotkleding, d.w.z. of in shirt en trainingsbroek of in shirt en korte broek.
Het beste is een shirt met lange mouwen. Op de achterkant van het shirt mag de naam van het team staan.
Op de voorkant van het shirt mag de reclame van een sponsor staan.
Let bij het kopen van de shirts op dat het een sterke en slijtvaste stof is. Voor de schoenen komen het meest in aanmerking de zgn. legerkistjes. De zool moet volkomen glad zijn, de hak mag versterkt worden met een ijzeren plaat, maar moet volkomen glad en vlak zijn. (Zie bijlage Touwtrekschoenen)
 
4.      VOORBEREIDING.
Zorg er voor, dat je op tijd bij het wedstrijdveld bent. Kijk of je alles hebt wat nodig is: water, magnesium enz. Hou de hele zaak bij elkaar. Meld bij de wedstrijdleiding dat het team aanwezig is. Vraag een wedstrijdschema en bekijk het.
 
5.      WARMING UP.
Belangrijk is een goede warming up. Zorg ervoor dat het lichaam warm is en dat het bloed stroomt als je begint.
Begin de warming-up ongeveer 5 à 10 minuten voor de eerste trekbeurt. Hou daarna het lichaam warm.
 
6.      OPKOMST OP HET WEDSTRIJDVELD.
Wordt het team opgeroepen, kom dan tegelijk en gezamenlijk het veld op. Kom door de opening in de afzetting aan de kopeinden van het veld. Loop vlot en in de rij achter elkaar naar het bestemde touw. Wacht dan op de tekens van de scheidsrechter.
 
7.      OPSTELLEN AAN HET TOUW.
Op het touw zijn 3 verschillende markeringen te weten de RODE deze geeft het midden aan van het touw en zal bij de start recht boven de startlijn hangen, de WITTE is 4 meter uit het midden geplaatst en is de afstand die het touw uiteindelijk verplaatst moet worden, de BLAUWE is de markering waar vanaf opgesteld mag worden.
 
8.      START.
De scheidsrechter zegt achtereenvolgens:
Pak op het touw. . . . . strekken . . . . . trekken . . . . . . NU!
Bij ”NU” mag er getrokken worden. De goede starthouding is: de linkervoet wordt bij het commando ”strekken” naar voren vastgeslagen. De rechtervoet blijft achter.
Bij het commando ”NU” wordt ook de rechtervoet naar voren vastgezet. De achterste man neemt direct bij het opstellen aan het touw het touw op in de ankermansgreep.
Concentreer je en kijk naar de scheidsrechter.
Een goede start is vooral een mentale voorsprong.
 
9.      LICHAAMSHOUDING.
Een goede houding is: met een rechte rug, ± 45 graden achterover, de benen licht gespreid, enigszins verend in de knieën en met het touw zo dicht mogelijk tegen het bovenlichaam klemmen. Span zoveel mogelijk met de benen. Hou de linkervoet iets voor de rechter.
Ga niet op het touw hangen, ieder moet zijn eigen evenwicht bewaren. Zet de laagst trekkende man voorop en de hoogst trekkende achter.
 
10. TACTIEK
Er zijn twee manieren: direct aanvallen of zoveel mogelijk eerst afwachten. Een aanval kan ingezet worden door: of één grote ruk of langzame verhoging van de spanning, tegelijk met kleine pasjes achteruit.
Doe alles altijd gezamenlijk en nooit alleen.
 
11. COACHEN.
De coach moet naast zijn eigen team ook de tegenstander en de scheidsrechter in de gaten houden. De coach moet het moment bepalen wanneer er gewerkt of gerust moet worden. Hij moet daarom goed kontact houden met één van de voorste trekkers. Hij moet de trekkers weten te motiveren.
 
12. WISSELEN.
Na afloop va de eerste trekbeurt wordt er van kant gewisseld. Meestal wordt er eerst een kleine rust gegund voor een kleine verzorging (max. 2 minuten). Als de scheidsrechter het teken geeft om te wisselen, loop dan achter elkaar in de rij naar de andere kant.
 
13. VERZORGING.
Bij elk team mag een verzorger aanwezig zijn. Zijn taak is om de spelers van water e.d. te voorzien. Hij mag tijdens de trekbeurten op het wedstrijdveld aanwezig zijn, maar mag beslist geen aanwijzingen geven.
  
14. NO PULL.
Geeft de scheidsrechter het teken: No pull (het kruisen van de armen) dan betekent dit, dat beide ploegen te veel overtredingen hebben gemaakt. De trek moet dan worden overgetrokken en er moet opnieuw worden gestart.
Er mag beslist geen verzorging worden genoten!
 
15. EINDE 2e TREKBEURT.
Na het teken van de scheidsrechter, dat de laatste trekbeurt beslist is, lopen de spelers weer achter elkaar, naar hun tegenstanders, geven een hand aan de tegenstanders en gaan dan zo snel mogelijk in de rij van het wedstrijdveld af. Ook nu weer door de opening in de afzetting op de kopeinden van het wedstrijdveld.
 
16. HOUDING TUSSEN DE WEDSTRIJDEN.
De tijd tussen 2 wedstrijden kan soms kort en soms behoorlijk lang zijn. Blijf zoveel mogelijk bij elkaar als team. Ontspan en verzorg je zo goed mogelijk. Blijf volgen wat er op het veld gebeurt. Hou je warm en blijf in beweging. Ga nooit languit op de grond liggen.
Trek na elke partij een warm jasje aan.
 
17. BLESSURES.
Krijg je een blessure, stop dan zo snel mogelijk of behandel deze blessure. Als 1 speler stopt mag het team wel doorgaan. Meld dit aan je tegenstander en meestal zal deze ook bereid zijn met 1 speler minder te touwtrekken. Bij zichtbaar letsel mag een beschermend verband worden aangebracht. Meldt een blessure altijd aan de scheidsrechter.
 
18. NA DE WEDSTRIJD.
Is de gehele wedstrijd afgelopen, kleed je dan om en was je (zorg voor een goede hygiëne). Blijf niet lopen in de wedstrijdkleding. Laat geen afval achter op het terrein.